logo-professioneel-begeleiden logo-professioneel-begeleiden
Filters

Alle artikelen - Abonneer je nu!

Evaluation and testing in nursing education

Auteur: Annemarie de Knecht-van Eekelen

Marilyn H. Oermann & Kathleen B. Gaberson (2009). Evaluation and testing in nursing education. 3rd ed. New York: Springer Publ. Comp. 446 pp. ISBN 978-0-8261-1062-6. € 66,99. Deels op internet: http://books.google.nl. Dit handboek over toetsen en beoordelen is geschreven door en voor verpleegkundigen. De auteurs beogen de opvattingen over assessment, toetsen, meten en evalueren in het verpleegkunde onderwijs te beschrijven en docenten hiermee te laten werken als onderdeel van hun onderwijstaak. Daartoe hebben zij het boek geordend in vijf delen: I Basic Concepts, II Classroom testing, III Elements of test construction, administration, and analysis, IV Written assignments and clinical evaluation, V Issues related to testing, grading, and other evaluation concepts. Dat het boek zich richt op de verpleegkunde opleiding blijkt vooral uit de gekozen voorbeelden van items die afkomstig zijn uit het verpleegkunde curriculum in de Verenigde Staten, terwijl er ook een hoofdstuk is gewijd aan de National Council Licensure Examinations. Los daarvan biedt het boek heel veel praktische informatie over het samenstellen van toetsen, afname, scoring en alles wat er komt kijken bij beoordeling van studenten en docenten. Het richt zich duidelijk op de docent die wil weten welke soorten items er zijn, hoe een toets moet worden samengesteld, wat beoordelingscriteria zijn. Uiteraard begint het boek met een uiteenzetting over het doel van toetsen en beoordelen, met taxonomieën en factoren waardoor de kwaliteit van de toets wordt bepaald (validiteit, betrouwbaarheid en efficiency (hier ‘practicality’ genoemd)), het is niet nieuw maar wel heel overzichtelijk. In het tweede deel komt een scala aan vraagvormen uitgebreid aan bod: waar/onwaar, matching, meerkeuze, multiple response, kort antwoord, invulvragen, essay. Veel voorbeelden, ook van verschillende vormen van correctievoorschriften, inspireren de lezer om eens iets anders te proberen dan een gebruikelijke stellingvraag. Een apart hoofdstuk over ‘assessment of higher level learning’ geeft interessante mogelijkheden voor het toetsen van ‘critical thinking’, een vaardigheid die in het curriculum centraal staat. Deel drie behandelt praktische zaken die voor de afname van een toets van belang zijn: de vormgeving van de toets, de instructie, de inrichting van het toetslokaal, spieken, surveillance, etc. en vervolgt met scoren, toets- en itemanalyse en de maatregelen die daaruit kunnen volgen. Docenten wordt aangeraden om zuinig te zijn op goede items en deze te bewaren of een itembank op te zetten. Lastig voor docenten is het beoordelen van schriftelijke werkstukken. Hiervoor biedt het boek in deel vier voorbeelden van checklists en beoordelingscriteria waarbij niet alleen inhoud en structuur maar ook de schrijfstijl wordt beoordeeld. Geheel in lijn met de discussie in EXAMENS nummer 3-2010 over het meebeoordelen van taalverzorging pleiten de auteurs voor feedback aan studenten over hun fouten in grammatica, interpunctie en spelling, omdat de kwaliteit van communicatie te lijden heeft onder slordig taalgebruik. Deel vier is vooral gewijd aan wat in dit boek ‘clinical evaluation’ heet, hetgeen neerkomt op competentiebeoordeling. Opnieuw zijn er de nodige voorbeelden van beoordelingsinstrumenten, nu voor praktische vaardigheden. Interessant is de opmerking dat de beoordelaar ervoor moet waken om te veel aspecten van de handelingen te willen beoordelen, omdat het dan onmogelijk wordt om die gegevens van elke student te verzamelen: ‘competencies need to be realistic and useful for guiding the evaluation’ (p. 259). Na deel vijf, waarin onder meer beknopt aandacht wordt gegeven aan psychometrische aspecten van toetsen en het al dan niet geven van cijfers, volgen drie bijlagen met respectievelijk de Code of Fair Testing Practices in Education, de Code of Professional Responsibilities in Educational Measurement, en de Standards for Teacher Competence in Educational Assessment of Students. Deze laatste Standards zijn hier overgenomen in het kader. Dergelijke codes en standaarden zouden in het Nederlandse onderwijs niet misstaan Samenvattend kan gezegd worden dat het boek niet alleen een aanrader is voor verpleegkundigen maar voor iedereen die een praktisch overzicht wil krijgen over de vele aspecten van toetsen en beoordelen. Het boek is goed geschreven, zeer leesbaar, met weinig Standards for Teacher Competence in Educational Assessment of Students Teachers should be skilled in: 1. choosing assessment methods appropriate for instructional decisions, 2. developing assessment methods appropriate for instructional decisions, 3. administering, scoring and interpreting the results of both externally produced and teacher-produced assessment methods, 4. using assessment results when making decisions about individual students, planning teaching, developing curriculum, and school improvement, 5. developing valid student grading procedures that use student assessments, 6. communicating assessment results to students, parents, other lay audiences, and other educators, 7. recognizing unethical, illegal, and otherwise inappropriate assessment methods and uses of assessment information.   Mw. dr. A. de Knecht-van Eekelen is hoofdredacteur van EXAMENS. E-mail: a.van. eekelen@gmail.com.
Gratis
lees meer

Mijn beoordelingen zijn van goede kwaliteit

Auteur: Wynand Wijnen

Onderzoek toont aan dat docenten eenzelfde prestatie van studenten zeer verschillend kunnen beoordelen. Inzichten van docenten, gewoonten op het gebied van beoordelen, voorkeur voor bepaalde onderwerpen, specifieke deskundigheden van docenten, enzovoort kunnen hieraan ten grondslag liggen. Hiermee is natuurlijk niet gezegd dat beoordelingen in al deze omstandigheden van minder goede kwaliteit zouden zijn. De goede kwaliteit van een beoordeling wordt nog wel eens verdedigd door te stellen dat de beoordeling van een tweede beoordelaar niet in belangrijke mate afweek van de eigen beoordeling. Op zichzelf is dat natuurlijk goed, maar wat betekent ‘niet in belangrijke mate’? Laten we uitgaan van een groep van dertig leerlingen. Bij een vergelijking van de twee beoordelingen blijkt er bijvoorbeeld bij zes leerlingen een verschil te zijn van één punt op tien en bij twee leerlingen een verschil van twee punten op tien. Wanneer bij de betreffende groep leerlingen alle cijfers tussen 1 en 10 aan één of enkele leerlingen zijn toegekend is het resultaat zonder meer indrukwekkend, maar wanneer beide beoordelaars alleen de cijfers 5, 6, 7 en 8 hebben toegekend wijkt het resultaat nauwelijks af van toeval. Indien de gebruikelijke cijferschalen slechts in beperkte mate worden gebruikt – in de praktijk is dat nogal eens het geval – is het bericht dat er slechts weinig grote afwijkingen zijn, niet zo overtuigend. Daarnaast is het van belang na te gaan of een zogenaamde onafhankelijke tweede correctie wel echt onafhankelijk is. Wanneer de eerste corrector aantekeningen maakt op het door de leerling ingeleverde werk kan men vragen stellen bij de onafhankelijkheid. Wanneer er contact is tussen eerste en tweede corrector voordat de definitieve beoordeling wordt vastgesteld kan dat ook twijfels oproepen aan de onafhankelijkheid. Het voorgaande mag overigens niet suggereren dat er in de praktijk op ruime schaal sprake zou zijn van aanvechtbare onafhankelijkheid. Wel mag worden geconstateerd dat overtuigende bewijzen voor een echte onafhankelijkheid niet altijd aanwezig of beschikbaar zijn. Het zou een goede zaak zijn meer aandacht te besteden aan het beschikbaar maken van deze overtuigende bewijzen. Duidelijk is immers dat bewijzen voor een goede kwaliteit van beoordelingen uitermate gewenst zijn. Alleen de enkelvoudige mededeling van een docent dat zijn beoordelingen van goede kwaliteit zijn is onvoldoende. Wanneer een docent stelt dat zijn beoordelingen van goede kwaliteit zijn, is dat het uitgangspunt. De vraag op grond waarvan die mededeling wordt gedaan is vervolgens aan de orde. Welke stappen heeft de docent genomen om de goede kwaliteit van zijn beoordelingen vast te stellen. Zijn de leerlingen tevreden? Zijn collega’s het met de beoordelingen eens? Heeft de leiding geen vragen? Zijn de slaagcijfers bevredigend? Welke criteria zijn daadwerkelijk aangelegd om de beoordelingen als kwalitatief goed te beoordelen? Het is niet nodig om de uitspraak over kwalitatief goede beoordelingen op voorhand te wantrouwen, maar het is wenselijk om na te gaan of alle voor de hand liggende valkuilen feitelijk zijn vermeden. Prof.dr. W.H.F.W. Wijnen was hoogleraar Ontwikkeling en Onderzoek van het Hoger Onderwijs aan de Universiteit van Maastricht.
Gratis
lees meer

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en blijf op de hoogte!

Op weg naar ruimte en vrijheid

Crisis als aanleiding om inzicht te vergroten in (je) identiteitswerk

Datum:
Locatie:

Download gratis deze white paper