logo-professioneel-begeleiden logo-professioneel-begeleiden
Filters

Alle artikelen

Kwaliteit (september 2021)

Redactioneel   ‘Het goede doen’ is een begrip waar ieder eigen beelden bij heeft. Daarbij kan iets goeds voor de een ongewild desastreus uitpakken voor iemand anders. Als begeleider ben je vanuit je rol medeverantwoordelijk voor het welzijn van een ander, door de positie die je hebt ten opzichte van een cliënt of opdrachtgever. Je wordt gezien als iemand met verstand van zaken en komt in een positie waarin je bijdraagt aan inzicht en adviezen geeft. De ander legt als het ware zijn welzijn in jouw handen. Voor een begeleider is het daarom extra belangrijk om de eigen kwaliteit te waarborgen, om te toetsen of je het goede doet op het juiste moment. Zo kun je kwaliteit leveren en kan iemand daadwerkelijk op eigen kracht een stap voorwaarts zetten.   Dit nummer gaat over het goede doen, over kwaliteitsborging in ons vak, om oog te krijgen voor de betekenis van kwaliteit en welke aspecten in de begeleiding daarvoor belangrijk zijn. Frans Savelkoul en Sjaak Körver beschrijven het inzetten van het levensscript als onderdeel van de professionaliteit. Een artikel dat hier raakvlakken mee heeft, is dat van Akbar Barani. Hij schrijft over het professioneel inzetten van ervaringskennis binnen supervisie en hoe eigen ontwrichtende levensgebeurtenissen een plek kunnen hebben vanuit het kwadrant kwetsbaarheid, zelfstigma, veerkracht en empowerment. Over wat werkt in coaching wordt Erik de Haan geïnterviewd naar aanleiding van zijn nieuwste boek. Tim Theeboom neemt in zijn bijdrage diverse aspecten van coaching onder de loep en onderzoekt of coaching werkt.   Voor begeleiders in organisaties is de kwaliteit van de begeleiding uiteraard ook een belangrijk aspect. Paul Kloosterboer belicht wat de huidige tijd van organiseren vraagt van de adviseur en hoe je daarin een dienende plek kunt innemen om van daaruit de juiste interventies te doen.   In de rubriek Gelezen reflecteert Frank Verborg op een tweetal boeken die gaan over het succesvol werken in teams en wat dit vraagt van zowel het team als de begeleider. Marie-José Geenen vertelt in De Weg over het nut van reflectie in haar loopbaan. De column van Kees Faber sluit hier in zekere zin op aan en geeft inspiratie tot stilstaan bij reflectie; de kracht van de professional zit immers niet altijd in beter, meer en verder.   Kortom: in dit nummer worden diverse invalshoeken van kwaliteit belicht. Ik ben ervan overtuigd dat stilstaan, reflectie en tot op het bot eerlijk durven zijn essentiële ingrediënten zijn van professionele kwaliteit.   Tijn Ponjee

Empathie

Redactioneel   Het doseren van empathie is een secuur werkje’, schreef Sander Donkers een poosje geleden in de Volkskrant. Hij komt een rouwende kennis tegen, maar weet niet wie het is en waar het om gaat. Los van de ongemakkelijke, wie weet herkenbare situatie, is zijn combinatie van ‘empathie’ en ‘een secuur werkje’ mooi. Enerzijds het grote belang dat door veel mensen aan empathie wordt gehecht en anderzijds de moeilijkheid om empathie op een goede manier in te zetten. Empathie is belangrijk en nodig, maar het heeft ook schaduwkanten. Er zijn zelfs mensen die zeggen: een betere wereld begint bij minder empathie. Hoog tijd dus om de ‘empathiebalans’ op te maken.   Greet Vanaerschot legt in haar hoofdartikel het begrip empathie onder het vergrootglas, om te weten waar we het over hebben. Ze benadrukt onder meer dat empathisch begrijpen zowel een affectieve als een cognitieve component heeft. De column van bioloog Frans de Waal laat ons zien waar de kern van empathie ligt en dat is, heel ‘basic’, in het elkaar voelen, ruiken en meemaken. Een boodschap die in deze tijd van corona extra betekenis krijgt. Dirk Boersma maakt duidelijk dat compassie en empathie onontbeerlijk zijn voor coachend leiderschap. De relatie tussen zorgverlener en patiënt staat centraal in de bijdrage van Liesbeth van Vliet, Maartje Meijers en Frans Derksen. Ze trekken een duidelijke conclusie: empathie is een ‘must have’ en geen ‘nice to have’. Anke van Helden besteedt aandacht aan het thema van de zelfempathie, door in te zoomen op het thema schaamte. Hoe herken je schaamte en wat vergt dat van een professioneel begeleider? Aan de hand van het gedachtegoed van Stephen Covey richt Miriam Op de Beek zich op de ontwikkeling van het inlevingsvermogen bij kinderen. Taalontwikkeling (de emotiewoordenschat) is daarbij erg belangrijk. In het interview laat Ignaas Devisch er geen misverstand over bestaan: wees voorzichtig met het inzetten van empathie buiten de kleine gemeenschap om: dat gaat niet goed! Een heldere boodschap aan iedereen die empathie als Haarlemmerolie ziet.   We sluiten dit nummer af met De Weg van Jan Oosting, een bijdrage van redactielid Marlies Jellema over motiverende gespreksvoering en een artikel van Lidewij Niezink, die ingaat op praktische en wetenschappelijk onderbouwde hulpmiddelen voor de beoefening van empathie in begeleiding.   Dit is het, ook voor mij; mijn laatste bijdrage als redactielid aan dit tijdschrift. Ik heb bijna zes jaar met veel plezier aan het tijdschrift gewerkt, maar deze zomer stop ik. Het is goed zo.

Zintuiglijkheid (volledige uitgave, 10 artikelen)

We zaten midden in de ‘intelligente lockdown’, toen ik als coördinator van dienst voor dit nummer aan het broeden was op een thema. ‘Anderhalvemetersamenleving’ was al gewoon, mondkapjes waren nog zinloos en ‘huidhonger’ deed zijn intrede. Mijn advies-, coach- en opleidingspraktijk was in die eerste fase gedeeltelijk in de uitstelmodus beland en voltrok zich voor een ander deel online. En ik begon mij te realiseren dat het voor mij in m’n werk om iets meer – of beter nog: om iets anders – ging dan om huidhonger. Ik zit niet zoveel aan mijn klanten of zij aan mij. Maar werk ik live met een groep, dan sta ik gevoelsmatig wel in een ‘veld’ van aandacht en energie. Ik zie en hoor niet alleen, maar voel vooral in m’n lijf de aard en de intensiteit van de energie om me heen. Waaruit ik bijvoorbeeld afleid of dat wat er gebeurt ‘ertoe doet’ of dat ik wellicht te veel aan de oppervlakte aan het klussen ben. Ik merkte hoezeer ik gewend was op die signalen te varen en hoe lastig ik het vond om dat gevoel online terug te vinden. In twee- of driegesprekken ging dat nog wel, maar in groepen vond (en vind) ik dat nog steeds een enorme klus. Vanuit die gewaarwording was een thema snel gevonden: zintuiglijkheid. In de redactie waren we het al gauw eens en gingen we op zoek naar auteurs. Dat leverde een onverwachte nieuwe ervaring op. We konden makkelijker auteurs bedenken en bereid vinden die werken met en vanuit het lichaam, dan auteurs die de zintuigen zelf centraal stellen. En terwijl alle auteurs het thema zintuiglijkheid enthousiast omarmen, blijft het nergens alleen bij die zintuiglijkheid. Sommigen gaan van de waarnemende zintuigen naar wat er vervolgens in het hoofd gebeurt. Vier artikelen gaan in op belangrijke, basale breinmechanismen. Andere auteurs kiezen een wat meer fenomenologische weg en gaan in op de lijfelijke gewaarwordingen en de gevolgen daarvan. Enkele malen wordt het schrijf- en redactieproces zelfs onderdeel van het verhaal. Kortom: heel interessante wendingen die mij hebben geleerd hoezeer onze zintuigen kennelijk niet op zichzelf staan, maar vooral de verbinding vormen tussen binnen- en buitenwereld. En dus in die hoedanigheid betekenis krijgen. Zo is dit wederom een rijk nummer geworden, waarin het gebied van mensen en relaties op een spannende en vernieuwende manier is geëxploreerd. En waarmee ik met gepaste trots afscheid neem als redactielid van dit mooie blad.   Paul Kloosterboer

Jubileumnummer '40 jaar LVSC'

Veertig jaar Landelijke Vereniging voor Supervisie en Coaching (LVSC) – een jubileum. Een moment om te vieren, terug te kijken en vooruit te blikken. Reden ook voor een jubileumnummer van Tijdschrift voor Begeleidingskunde. Ook wij kijken daarin terug en vooruit. Al jaren verschijnen er in dit tijdschrift boeiende, prikkelende, uitdagende en tot nadenken stemmende bijdragen. In het jubileumnummer wilden we als redactie graag terugblikken op de afgelopen vijf jaar, door een top 10 van meest interessante, relevante of betekenisvolle artikelen uit die periode op te stellen.   Om te komen tot die selectie schakelden we de wijsheid, ervaring, kennis en visie van de redactieraad in. Deze bonte verzameling prominente experts op het gebied van leren en ontwikkelen – sinds jaar en dag aan de redactie verbonden – boog zich over alle nummers van de afgelopen vijf jaar. Tijdens een inspirerend samenzijn van raad en redactie, begin dit jaar, leidde dat tot een keuze die we graag wilden terugzien in het jubileumnummer.   De auteurs van deze artikelen werd gevraagd hun bijdrage van toen kort samen te vatten, terug te blikken met de kennis van nu en met een blik op de toekomst een nieuwe tekst te schrijven. En zo leest u in dit nummer onder meer hoe Joost Kampen nu over verwaarloosde organisaties denkt, schrijft Jakob van Wielink samen met Leo Wilhelm over de transitie die zijn transitiecirkel doormaakte, waagt Thijs Homan zich aan een geste richting de begeleidingskunde (‘Kijk naar je éige!’) en duiden Leike van Oss en Jaap van ’t Hek onmacht als een systeemvraagstuk.   Naast deze selectie treft u in dit nummer ook een bijdrage aan van Jikke de Ruiter. Zij werd door de LVSC gevraagd om de geschiedenis van de vereniging te beschrijven, te duiden waar die nu staat en ideeën te formuleren over wat er voor de toekomst van de vereniging – ook in het licht van de veranderende maatschappij – nodig is voor de ontwikkeling van het vak begeleidingskunde.   Tot slot: al vijf jaar ben ik aan dit tijdschrift verbonden, waarvan vier jaar als hoofdredacteur. Het blijft een voorrecht om met inspirerende en geïnspireerde redactiecollega’s en auteurs te werken aan dit blad en daarmee bij te dragen aan de professionele ontwikkeling van de leden van de LSVC.   Maartje de Vries

Ik ben toch niet gek?! (volledige uitgave, 9 artikelen)

Menigeen zal het verzucht hebben in de afgelopen maanden: ‘Zonder mondkapje de supermarkt in? Ik ben toch niet gek? Mondkapjes worden dringend geadviseerd’, ‘Mét mondkapje de supermarkt in? Ik ben toch niet gek?! Die dingen houden geen virussen tegen’, ‘Me laten testen bij een beetje keelpijn? Gewoon thuisblijven en uitzieken, toch?’, ‘Me níet laten testen bij keelpijn? Maar straks besmet ik mensen waar ik voor zorg!’, ‘Vragen stellen bij de coronamaatregelen? De overheid heeft hier toch goed over nagedacht?’, of: ‘Gewoon de maatregelen volgen? Maar waar is dan de onderbouwing dat die maatregelen werken?’ De een vindt Rutte, De Jonge en Grapperhaus gek, de ander Engel, De Hond en Tisjeboy Jay.   Maar wat brengt het ons dat we het ene normaal en het andere gek vinden en de een normaal en de ander gek? Niet alleen komen mensen daarmee tegenover elkaar te staan, het onderscheid kan ook leiden tot vervreemding en onbegrip ten opzichte van je eigen ik. Want wat als jij jezelf ervaart als gek ten opzichte van de wereld om je heen? Of je juist het gevoel hebt te leven in een wereld die gek (geworden) is?   In dit nummer verkennen we de begrippen gek en normaal vanuit verschillende perspectieven en relateren we dat aan onze rol als begeleider. Want is het niet ieders opdracht om - hoe bizar je iemand ook ervaart - toch oprecht contact te maken, te luisteren en te willen begrijpen wat de ander drijft en bezighoudt? En geldt dat niet helemaal voor diegenen die mensen begeleiden die kwetsbaar zijn en/of vastlopen?   Onze gekkigheden lijken vaak heel verschillend, maar ze zijn eigenlijk altijd terug te voeren op zeer universele ervaringen en behoeften. En een van die universele behoeften is om gezien en gehoord te worden, met al jouw gekkigheid en anders zijn. Laten we anderen dus zien en horen, hoe gek ze ook lijken. Onze koning zei op 4 mei van dit jaar: ‘Niet normaal maken wat niet normaal is.’ Dat is óók onze opdracht: om in deze samenleving te signaleren en te benoemen welke systemen, ontwikkelingen, protocollen en vereisten mensen ‘gek’ maken. Mensen hebben veel veerkracht, zeker als ze gezien, gehoord en gewaardeerd worden - maar ook daar zijn grenzen aan. We moeten het samen dus niet té gek maken.   Maartje de Vries

Verlies (volledige uitgave, 10 artikelen)

Wie had kunnen denken, toen we ‘verlies’ als thema voor dit nummer kozen, dat een jaar later de hele wereld geconfronteerd zou worden met verlieservaringen? We kregen tijdens de coronapandemie te maken met verlies van gezondheid, fysiek contact, werk, inkomen, bewegingsvrijheid, vanzelfsprekendheden en soms verlies van dierbaren. Dat betekende afscheid nemen, loslaten, rouwen, betekenis zoeken, resetten en het vinden van een nieuw evenwicht. Uiteindelijk opende het ook deuren naar meer tijd voor de natuur en voor jezelf en naar nieuwe ontwikkelingen en mogelijkheden. Al deze aspecten van verlies komen voorbij in dit nummer. In het hoofdartikel beschrijft Ronald Wolbink wat de Franse filosoof Michel de Montaigne ons kan leren over omgaan met de coronacrisis. Redactielid Paul Kloosterboer zet zo zijn vraagtekens bij de reset na corona: ‘We mogen weer’ lijkt daarbij ‘Wat kan er?’ al snel te overstemmen. Collega-redactielid Kees Faber en ik gingen ieder in gesprek met een uitvaartondernemer. Waar in Groningen het leven gewoon doorging, belandde men in het zuiden in het oog van de corona-orkaan. Beide verhalen laten zien hoe ook dit vak eigen verlieservaringen kent. Dat geldt ook voor Fabers andere bijdrage: mensen begeleiden bij verlieservaringen, confronteert predikanten met eigen verlieservaringen. Het helpt dan om ervaringen te delen. Niet alle bijdragen in dit nummer zijn gerelateerd aan de coronacrisis. Zo beschrijft Janske van Eersel de resultaten van haar promotieonderzoek naar rouw bij baanverlies, een nog redelijk onontgonnen gebied. Simoon Fransen en Natasha Groot vertellen hoe zij, stapsgewijs vanuit de Theorie U, een groep bestuurders begeleidden bij het loslaten van waarheden en vanzelfsprekendheden, om vervolgens tot creatieve oplossingen te komen. Anke van Helden vertelt over de dood van haar dochtertje en hoe begeleidingskundigen zo’n intensieve verlieservaring kunnen begeleiden. Tijn Ponjee bespreekt ‘Dagboek van de ziel’ van Hendriksen en Tirion-Ietswaart, over de reis langs zeven levensfasen. Jakob van Wielink gaat in op ‘Attachment informed grief therapy’ van Kosminsky en Jordan, die hechtgeschiedenis koppelen aan omgaan met verlieservaringen. Als gerenommeerd deskundige op het gebied van onder andere verlies en rouw blikt Riet Fiddelaers-Jaspers in De Weg terug op haar werkzame leven. Alles wat we in dit nummer aangereikt krijgen, neem ik zelf ook mee. Ik neem namelijk afscheid van de redactie van dit tijdschrift; dit was mijn laatste nummer in die rol. ​​​​​​​Marie-José Geenen

Ketens en Netwerken (volledige uitgave, 9 artikelen)

Als coördinator van dit nummer voelde ik niet meteen een vonk van inspiratie bij het thema ‘ketens en netwerken’. Mijn eerste gedachte ging uit naar de netwerkbijeenkomsten waarmee ik vooral in de eerste jaren van mijn adviseurschap wel te maken had. Als ik terugdenk aan de geforceerde gesprekken van een grote groep mensen op zoek naar opdrachten, krijg ik niet meteen warme gevoelens. Mijn tweede associatie was een opdracht die ik een aantal jaren geleden bij een gemeente had. Het betrof het invoeren van zelfsturende teams in een organisatie die meer de netwerkkant op wilde. Het bleek lastig om het motief van de teams - van leiding en sturing af komen - om te buigen naar het nemen van eigen verantwoordelijkheid en elkaar helder en eerlijk aanspreken. Na deze twee eerste associaties ging het thema al snel leven, vooral toen we al brainstormend op een aantal onderwerpen en auteurs kwamen. En nu zie ik een nummer met een kleurrijk en gevarieerd aanbod. Het artikel van Guido van de Wiel bijvoorbeeld, dat gaat over netwerksturing als methodiek bij vraagstukken die vele actoren hebben met uiteenlopende motieven. De bijdrage van Dees van Oosterhout belicht de meer psychische aspecten van procesregie in multi-partijvraagstukken en de rol van de procesregisseur. Paul Kloosterboer werpt licht op de veranderende rol van interne en externe adviseurs in de meer en meer ‘vernetwerkte’ organisaties. Durk Piet de Vries, organisatieadviseur, deelt zijn reflecties op onder andere de tegenstellingen tussen samen en apart, wij en ik en onderdanig en superieur. Dit doet hij aan de hand van bespiegelingen tijdens enkele recente reizen naar China. Kees Faber en Marie-José Geenen gingen voor de rubriek Ontmoeting in gesprek met een supervisieketen. Een supervisant, een supervisor, een leersupervisor en een docent supervisiekunde evalueren hun onderlinge ervaringen. Carla van Slagmaat en Simona Karbouniaris beschrijven in hun artikel een andere keten - die van cliënt naar professional - en hoe het werken met ervaringskennis een prominente plek heeft in het professionaliseren van leerteams. Frank Verborg bespreekt aan de hand van De geïndividualiseerde onderneming de ontwikkelingen in managementfilosofie van toen ,en nu en de toekomstbestendigheid van winstmaximalisering enerzijds en maatschappelijke verantwoordelijkheid anderzijds. De column van Maartje de Vries is uit het leven gegrepen, waar het gaat over het kijken naar de hele keten, in plaats van naar symptomen. Joseph Kessels, ten slotte, vertelt in De Weg hoe hij zich verbonden en bewogen heeft in zijn professionele leven. Ik wens u veel leesplezier! ​​​​​​​Tijn Ponjee

Ruimte (volledige uitgave, 10 artikelen)

Als 68-jarige ervaar ik het thema ‘ruimte’ nadrukkelijk. Door het wegvallen van verplichtingen en vanzelfsprekendheden ontstaat er ruimte in mijn leven. Wat te doen: vertrouwd werk doorzetten, nieuwe dingen aanpakken, de verveling koesteren? Ruimte ervaren is enerzijds een vervulling van een langgekoesterde wens, anderzijds is er ook sprake van ‘horror vacui’, de angst voor de leegte. Een begrip dat staat voor de neiging van een kunstenaar om elk leeg plekje op te vullen: witangst. Meer filosofisch gaat het om het zoeken van mensen naar zekerheid op basis van angst voor het onbekende, voor het leven met onbeantwoorde vragen. Verlangen en angst: ruimte is een paradoxaal begrip en tegelijkertijd ook onderdeel van onze dagelijkse taal als begeleiders. Boeiende kost en U zult zien dat elke bijdrage aan dit (overigens op gerecycled papier gedrukte) nummer een eigen licht werpt op dit thema. Het hoofdartikel van Joris Brenninkmeijer en Mieke Voogd laat zien op welke manier vragen stellen reflectieve ruimte kan bieden aan cliënten – ruimte voor leren. De column van Ferry Wilting zet ons aan het denken door te wijzen op de gelaagdheid van het begrip ruimte met het onderscheid in bedachte, waargenomen en geleefde ruimte. Michiel de Ronde houdt, via ‘muzisch onderzoeken’, een pleidooi voor het creëren van ruimte door middel van spel. Spelen is verleidelijk, geheimzinnig en plezierig en het leidt ons naar een ander weten. Michelle Kurzenacker sluit hier op aan met een voorbeeld vanuit haar werkplaats. Haar stelling: ‘Hoe beter je jezelf en je lichaam kent, hoe groter de handelingsruimte.’ Cees Sprenger benadrukt de noodzaak van ruimte voor rust en herstel van mensen, organisaties en onze planeet. Dit om de eigen stuurkracht te verstevigen. Een andere invalshoek, die van een specifieke doelgroep, bieden Joy Boelens en Marga Kelbling door aandacht te besteden aan de ruimte voor hoogsensitieve mensen binnen ons begeleidingskundige werk. In het interview komt Margriet Wentink aan het woord; ze is specialist in traumabehandeling. Ruimte maken voor het verwerken van trauma’s betekent de weg weer vrij maken voor levensenergie, stelt ze. Jikke de Ruiter en Sijtze de Roos vragen aandacht voor de politieke, de maatschappelijke ruimte van onszelf en onze cliënten: ‘We hebben niet de psyche maar de macht zichtbaar te maken.’ André Wierdsma benadrukt in De Weg de ruimte tussen mensen, de kwaliteit van het ‘in between’ van relaties en verbindingen. De boekenbespreking van Jacco van Uden wijst ons ten slotte op het gebruik van metaforen om speelruimte te creëren binnen organisatieontwikkeling. Heel veel leesplezier! Kees Faber

Op het randje (volledige uitgave, 9 artikelen)

Als begeleiders werken we met personen en groepen op kwetsbare momenten. Dat legt de lat hoog. Alleen het allerbeste en professioneelste is goed genoeg. Cliënten zijn ten slotte geen ‘proefdieren’. En tegelijkertijd zijn ze dat ongewild natuurlijk wel. Elke begeleider neemt intuïtief weleens een afslag waar hij of zij eigenlijk geen uitgewerkte methodische notie bij heeft. Soms is dat goed, als de intuïtie of het hart betere aanwijzingen geeft dan de methode. Maar het kan ook een lelijke miskleun betekenen. Om met cabaretier en filosoof Tim Fransen te spreken: ‘Ik stuntel dus ik ben.’ Jonge adviseurs, coaches en begeleiders kunnen hun vak sowieso niet leren zonder vlieguren te maken. Dat kan maar deels onder de hoede van mentoren. Het zijn de geslaagde en de mislukte experimenten, vaak over de rug van cliënten, die tot de grootste professionele groeisprongen leiden. Ga maar na in je eigen loopbaan. Soms volg je wel een methode, maar word je anders begrepen of aangevoeld dan je beoogd had en gaat het mis. En wat te denken van adviseurs en trainers die voor miljoenen aan veranderprogramma’s ‘uitrollen’ in organisaties, wat nauwelijks meer teweegbrengt dan BOHICA (ofwel ‘Bend over, here it comes again’) en cynisme? Wel goed onderbouwd en zeer gelikt uitgewerkt, natuurlijk. Wat is dan eigenlijk ‘professioneel’ of ‘op het randje’? Wim T. Schippers stelde onlangs dat vernieuwing nooit ontstaat vanuit professionals. Die blijven altijd binnen hun aangeleerde en gestolde succesframes opereren. Het zijn de amateurs, buitenbeentjes en buitenstaanders die vernieuwing brengen. Zo blijkt hardlopen, dansen of lichaamswerk soms effectiever dan praten. Het opstellingenwerk komt van Bert Hellinger, een filosoof. Luisteren met het hart of mindfulness is soms effectiever dan analyseren. Maar soms hebben experimenten dramatische gevolgen, zoals bij elektroshocktherapie of de sensitivitytrainingen uit de vorige eeuw. Wat is dus eigenlijk ‘het randje’ en wie bepaalt dat? Wat is het verschil tussen over het randje - dus fout en stout - en het sociaalwenselijke buiten de lijntjes kleuren en out of the box-denken? Of het verschil tussen je aan professionele normen houden en braaf binnen de lijntjes kleuren? Toch hebben we allemaal sterke normatieve opvattingen als het om begeleiden gaat en vinden we dat professioneel normbesef belangrijk is. Kortom, dit nummer gaat over het spanningsveld tussen ethiek en experimenteren. Wat gebeurt er bij onze klanten en onszelf, op ’t randje van voorspelbaar, veilig en ‘bewezen’, en van grensverleggend en soms grensoverschrijdend uitproberen? Paul Kloosterboer

Onderzoek (september 2019)


Schrijf je in voor de nieuwsbrief en blijf op de hoogte!

Op weg naar ruimte en vrijheid

Crisis als aanleiding om inzicht te vergroten in (je) identiteitswerk

Datum:
Locatie:

Download gratis deze white paper